Groepsdynamiek (Het Leger versus Het Gedicht)*
De twee benaderingen van collectieve beweging in de ruimtetijd
GEM-Kern:
Binnen de GEM Method onderzoekt Groepsdynamiek* hoe individuele bewegingen zich tot elkaar verhouden en samen een collectief bewegingspatroon vormen binnen de ruimtetijd*. Daarbij staan twee benaderingen centraal: collectieve uniformiteit (Het Leger) en individuele expressie binnen een gezamenlijke compositie (Het Gedicht).
De GEM Method biedt begrippen om de wisselwerking tussen vorm, gewichtsacties*, spierdynamieken*, timing en waarneming te onderzoeken. Hierbij staat de verhouding tussen gezamenlijke samenhang en individuele somatische autonomie* centraal: hoe kan een groep als geheel functioneren, terwijl iedere beoefenaar de eigen bewegingsmogelijkheden blijft waarnemen en reguleren?
1. WAT (Het Systeem):
Binnen het theoretische GEM-model beschrijft Groepsdynamiek* de interactie tussen individuele bewegingen en de collectieve patronen van meerdere dansers in , een formatie of een grotere groep binnen de ruimtetijd*. Het is een modelspecifiek concept om de onderlinge samenhang en de bewegingsgerelateerde communicatie tussen meerdere beoefenaars te onderzoeken en te categoriseren.
Groepsdynamiek* verwijst
binnen de GEM-systematiek niet naar een afzonderlijk anatomisch orgaan of biologisch netwerk in het menselijk lichaam, maar naar de manier waarop de zintuiglijke informatie en de bewegingen van verschillende personen zich tot elkaar verhouden.
Binnen dit onderdeel van het model vormt de relatie tussen het collectief en het individu het centrale onderzoeksthema. De buitenwaarneming* (exteroceptie*) levert informatie over de posities en bewegingen van partners en andere groepsleden. Deze zintuiglijke informatie vormt een uitgangspunt om te onderzoeken hoe de context* van de groep samenhangt met de inzet en coördinatie van de eigen bewegingsonderdelen van de Fysieke Drager*.
2. HOE (De Twee Benaderingen)
Binnen de GEM Method worden de groepsinteractie en de choreografie onderzocht aan de hand van twee verschillende benaderingen. Elke benadering heeft een eigen functionele doelstelling en een eigen uitgangspunt voor de inzet en regulatie van beweging, en is toepasbaar binnen zowel de wedstrijdsport als de theaterkunst.
1. Trainen als een Leger (Geautomatiseerde Unificatie)*
Deze benadering is gericht op de eisen van uniformiteit, zoals veelvuldig toegepast binnen de wedstrijdsport en specifieke synchrone theaterchoreografieën. Het trainingsprincipe is erop gericht de bewegingen van de 10 Grote Bewegers* van alle individuen zo nauwkeurig mogelijk op elkaar af te stemmen. Door herhaling en training kunnen bewegingspatronen steeds meer geautomatiseerd worden, met als doel een consistente en uniforme uitvoering van de gezamenlijke choreografie.
2. Trainen als een Gedicht (Somatische Autonomie)*
Deze benadering is gericht op individuele expressie binnen de gezamenlijke compositie, zoals kenmerkend voor veel vormen van theaterkunst en partnerwerk. De nadruk ligt op bewuste lichaamswaarneming en belichaming (embodiment*). Terwijl de beoefenaars de gezamenlijke verplaatsing en de choreografische structuur op elkaar afstemmen met behulp van de buitenwaarneming*, behoudt ieder individu de mogelijkheid om de eigen bewegingen waar te nemen en te reguleren. Binnen deze benadering kan de beoefenaar in het moment een persoonlijke spierdynamieken-blending* toepassen op de driedimensionale gewichtsacties*, binnen de afspraken en de structuur van de gezamenlijke choreografie.
3. WANNEER & WAAROM (De Collectieve Ademhalingscyclus)
Binnen het theoretische GEM-model wordt de collectieve ademhalingscyclus onderzocht als een mogelijke vorm van fysiologische afstemming tussen dansers. Wanneer de beoefenaars via de ‘MT’-Schakelaar* hun aandacht naar de binnendialoog* richten, kunnen zij bewuster omgaan met hun ademhaling, lichaamssignalen en onderlinge afstemming.
De ademhaling (inademing, retentie* en uitademing) vormt daarbij een ritmisch referentiepunt voor de gezamenlijke beweging en kan binnen de training worden ingezet als methode om de onderlinge afstemming en eenheid te oefenen. De relatie tussen ademhaling, spierspanning, vaattonus* en bewegingsdynamiek kan binnen de GEM Method worden onderzocht, zonder ervan uit te gaan dat een gezamenlijke ademhaling automatisch tot een uniforme fysiologische reactie leidt.
Deze benadering wordt binnen het GEM-model vanuit drie invalshoeken onderzocht:
- Neurale Synchroniciteit: De onderlinge afstemming tussen dansers wordt onderzocht aan de hand van waarneembare signalen, zoals het horen en zien van bewegingen, het voelen van contact en het herkennen van de groepsflow*.
- Collectieve Akoestische Absorptie:* De gewrichtsketens* en de bewegingsstrategieën van de dansers worden onderzocht in relatie tot de landing* op de ondergrond. De daaruit voortkomende geluiden kunnen door een buitenstaander worden waargenomen als meer of minder gedempt, afhankelijk van onder meer de uitvoering, de ondergrond en de akoestische omgeving.
- Vloeibare Ruimtetijd:* De overgangen tussen formaties worden onderzocht aan de hand van doorlopende bewegingsbanen en de individuele mengvormen* van de beoefenaars. Hierbij staat centraal hoe afzonderlijke bewegingen in de gezamenlijke choreografie op elkaar aansluiten en als één doorlopend geheel kunnen worden waargenomen.
4. VOOR WIE (De Doelgroep)
Dit platform is bedoeld voor individuele sporters, dansers en artiesten die de eigen fysieke expressie* willen leren waarnemen en reguleren, zich verder willen ontwikkelen of de eigen bewegingsmogelijkheden opnieuw willen ontdekken binnen groepsverband of partnerwerk.
Daarnaast biedt de GEM Method coaches, choreografen en therapeuten een begrippenkader om de musculaire en zintuiglijke samenwerking binnen een danskoppel of formatie systematisch te observeren, te beschrijven en te analyseren.
5. HET DOEL (De 5D-Regie)
Binnen het theoretische GEM-model is het doel om via De Somatische Regisseur* (5D / het bewustzijn binnen het GEM-model) collectieve groepsbewegingen te ontwikkelen van een voornamelijk gereproduceerde uitvoering naar een bewust waargenomen en gedragen biologische expressie.
Binnen de methodiek betekent dit dat de beweging niet uitsluitend wordt nagedanst, maar bewust wordt gereguleerd aan de hand van de eigen lichaamssignalen en ademhaling. Hierbij streeft de beoefenaar ernaar de individuele identiteit en de lichamelijke zelfstandigheid (somatische autonomie*) in het moment zelf te behouden.



