Criteria van Waarneming

De Criteria van Waarneming* (De lichamelijk Meetpunten)
Wat de getrainde externe waarnemer registreert via het zicht en het gehoor

De GEM-kern* – Van automatisme naar autonomie
De GEM Method* is een somatische lifestyle*: een manier om gedurende de dag bewuster met je lichaam en je beweging om te gaan.

Wat je niet weet, kun je niet bewust veranderen. Wat je ontdekt, biedt mogelijkheden om jezelf verder te ontwikkelen. Door de GEM Method* en haar terminologie te ontdekken, kun je anders naar je lichaam, je bewegingen en mogelijk ook naar het leven gaan kijken.
Zie jezelf als een kunstenaar. Je lichaam is je instrument, de penseel waarmee je beweegt en jezelf uitdrukt. De GEM-kleuren staan voor:

🔵 Blauw – Vorm 🔴 Rood – Expressie 🟡 Geel – Dynamiek ⚫️ Zwart – Persoonlijkheid

De Ruimtetijd* is je canvas. Iedere beweging geeft vorm aan de ruimte. Je kunt dit bewust onderzoeken tijdens het dansen, sporten, werken, kunst maken en alle andere dagelijkse activiteiten.

De GEM Method begeleidt de ontwikkeling van automatisme naar autonomie.* Door je lichaam en beweging bewuster waar te nemen, te begrijpen en te organiseren, ontwikkel je steeds meer mogelijkheden om zelfstandig bewegingskeuzes te maken. Je bent niet alleen degene die beweegt, maar ook de kunstenaar die met het eigen lichaam de ruimte vormgeeft

  1. WAT (Het Systeem)

De Criteria van Waarneming* vormen binnen de GEM Method* een samenhangend systeem om menselijke beweging van buitenaf en vanuit de lichamelijke waarneming te onderzoeken.

De GEM Method* maakt gebruik van verschillende GEM-onderdelen en begrippen, waaronder gewichtsacties*, spierdynamieken*, Spierdynamieken-Blending*, mengvormen*, C.A.F.-Navigatie* en de Somatische Driehoek*.

Deze onderdelen bieden verschillende invalshoeken om beweging waar te nemen, te beschrijven en te analyseren. Samen ondersteunen ze de ontwikkeling van bewegingsbewustzijn* en somatische autonomie*.

  • HOE (De Meetpunten van de Waarnemer):
    De getrainde waarnemer scant de uitvoering van de beoefenaar in het moment zelf langs deze zes specifieke fysiologische parameters:

1. De Somatische Autonomie (Lichamelijke zelfstandigheid / De Blikrichting)*
De externe waarnemer onderzoekt in hoeverre de beoefenaar de bewegingsuitvoering bewust kan waarnemen en aansturen vanuit de binnenwaarneming* (interoceptie* — 1D) en de lichaamswaarneming* (proprioceptie*), onder regie van De Somatische Regisseur* (5D). De Bewegingsmatrix* (het Bewegingsalfabet*) biedt daarbij het kader om de verschillende bewegingsmogelijkheden te herkennen en bewust toe te passen.

Daarbij spelen de aanwezige kennis, terminologie en bewegingservaring van de beoefenaar én de vakkennis en ervaring van de externe begeleider een belangrijke rol. Begrijpen beiden elkaars taal en instructies? De begeleider stemt de gebruikte terminologie en uitleg af op het kennis- en ervaringsniveau van de beoefenaar. Hierdoor ontstaat mentale ruimte om de aandacht te richten op het lichaam en de bewegingsuitvoering.

De Blikrichting biedt daarnaast een zichtbaar aanknopingspunt voor de externe waarnemer. Bij een geautomatiseerd bewegingspatroon kan de blik zich onbewust richten op externe referentiepunten, zoals een spiegel of de ondergrond. Dit kan samenhangen met onzekerheid of een behoefte aan externe visuele informatie.

Bij bewuste bewegingsregie kan de beoefenaar de blik rustig op één vast punt richten, met behoud van overzicht en ontspanning. Binnen het GEM-model past dit bij een bewegingsuitvoering die vanuit de binnenwaarneming* (interoceptie* — 1D) wordt georganiseerd en naar buiten wordt uitgevoerd.

Ook visuele deactivatie* (gesloten ogen) kan binnen de training worden gebruikt om te onderzoeken hoe de beoefenaar interne lichaamssignalen (interoceptie* — 1D) waarneemt tijdens het bewegen.

  1. De Bewegingsorganisatie in Ruimtetijd* (Vorm 3D – Dynamiek 4D)
    De externe waarnemer onderzoekt hoe de beoefenaar bewegingen van één of meerdere lichaamsdelen binnen de ruimtetijd* organiseert en uitvoert.

Hierbij wordt gekeken naar de samenwerking tussen de gewichtsacties* (3D), de Spierdynamieken* (4D), Vormblending*, Vormbehoud*, Spierdynamieken-Blending* en Mengvormen*. Deze onderdelen maken deel uit van het volledige bewegingsproces dat binnen de GEM Method wordt aangeduid als Somaflow*.

De tien Grote Bewegers*
Binnen de GEM Method worden tien Grote Bewegers* onderscheiden:
Hoofd, Schouders, Borstkas, Armen, Handen, Vingers, Bekken, Benen, Voeten en Tenen.

Iedere Grote Beweger* kan afzonderlijk of in combinatie met andere lichaamsdelen bewegen.
De externe waarnemer onderzoekt welke lichaamsdelen bewegen, welke hun vorm behouden en hoe hun bewegingen in tijd en ruimte met elkaar samenhangen.

De Gewichtsacties* (3D) – Vorm
De gewichtsacties* beschrijven binnen de GEM Method drie basisbewegingen:

Buigen (flexie)*, Strekken (extensie)*, Roteren (rotatie)*

Deze gewichtsacties* kunnen afzonderlijk, gelijktijdig of opeenvolgend worden uitgevoerd.
De externe waarnemer onderzoekt hoe de gewichtsacties* worden toegepast en hoe de positie en vorm van de lichaamsdelen hierdoor veranderen.

Vormblending* en Vormbehoud*
Tijdens het bewegen kunnen lichaamsdelen van vorm veranderen of hun bestaande vorm behouden.

Vormblending* beschrijft het combineren en laten overgaan van verschillende vormen tijdens een beweging.
Vormbehoud* beschrijft het behouden van een bepaalde vorm gedurende een beweging of een deel daarvan.

Beide processen kunnen gelijktijdig plaatsvinden. Zo kan één lichaamsdeel van vorm veranderen terwijl een ander lichaamsdeel zijn vorm behoudt.
De externe waarnemer onderzoekt hoe deze processen binnen de totale bewegingsorganisatie worden toegepast.

De Vloerpaden* en Luchtpaden*
De tien Grote Bewegers* kunnen verschillende bewegingspaden volgen.
Vloerpaden* beschrijven de bewegingspaden waarbij een lichaamsdeel contact heeft met de vloer.
Luchtpaden* beschrijven de bewegingspaden waarbij een lichaamsdeel zich zonder vloercontact door de ruimte beweegt.

Ieder lichaamsdeel kan een eigen bewegingspad volgen. Deze paden kunnen gelijktijdig of opeenvolgend worden uitgevoerd en tijdens de beweging veranderen.
De externe waarnemer onderzoekt hoe de verschillende bewegingspaden zich binnen de ruimtetijd* ontwikkelen en met elkaar samenhangen.

De Spierdynamieken* (4D) – Dynamiek
De Spierdynamieken* beschrijven binnen de GEM Method de dynamische uitvoering van bewegingen. Er worden drie basisvormen onderscheiden:

  • 🔴 Plotseling* – een plotselinge verandering in de bewegingsuitvoering.
  • 🟡 Geleidelijk* – een verandering die zich gedurende een tijdsverloop ontwikkelt.
  • 🔵 Aanhoudend* – het voortzetten van een bewegingsuitvoering gedurende een tijdsverloop.

De externe waarnemer onderzoekt hoe deze Spierdynamieken* worden uitgevoerd en hoe zij binnen één beweging of tussen opeenvolgende bewegingen veranderen.

Spierdynamieken-Blending* (4D)
Spierdynamieken-Blending* beschrijft het combineren van de drie Spierdynamieken*: plotseling, geleidelijk en aanhoudend.
Deze combinaties kunnen binnen één lichaamsdeel of tussen verschillende lichaamsdelen plaatsvinden.
De externe waarnemer onderzoekt hoe de dynamieken elkaar opvolgen, overlappen of met elkaar worden gecombineerd tijdens de bewegingsuitvoering.

De Mengvormen* – Bewegingsvormen en Textuur
Binnen de GEM Method ontstaan Mengvormen* door de combinatie van gewichtsacties* (3D) en Spierdynamieken-Blending* (4D).

Voorbeelden van Mengvormen* zijn:
Swing*, Impuls*, Bounce*, Vibratie*

De externe waarnemer onderzoekt hoe deze Mengvormen* worden uitgevoerd en welke veranderingen in vorm, dynamiek, bewegingsrichting en tijdsverloop daarbij zichtbaar zijn.
De term Textuur* verwijst binnen dit criterium naar de waarneembare kenmerken van deze dynamische bewegingsuitvoering.

De Somaflow* – Het volledige proces van bewegingscontinuïteit
Binnen de GEM Method beschrijft Somaflow* het volledige proces van bewegingscontinuïteit van de tien Grote Bewegers*, afzonderlijk en in combinatie.
Ieder lichaamsdeel kan een eigen vloerpad* of luchtpad* volgen. Tijdens dit proces worden gewichtsacties* (3D), Vormblending*, Vormbehoud*, Spierdynamieken* (4D) en Spierdynamieken-Blending* toegepast.

Deze processen kunnen gelijktijdig of opeenvolgend plaatsvinden. Daarbij kunnen verschillende Mengvormen* ontstaan.
Somaflow* omvat de samenhang tussen al deze onderdelen gedurende het volledige bewegingsproces.

Het ABABAB-principe – Vertrek- en aankomstfuncties
Het ABABAB-principe beschrijft de opeenvolging van vertrek- en aankomstpunten binnen de bewegingscontinuïteit.

Een lichaamsdeel beweegt van een vertrekpunt (A) naar een aankomstpunt (B). De bereikte positie wordt vervolgens het vertrekpunt voor de volgende beweging.
A → B → A → B → A → B → …

De letters A en B verwijzen naar opeenvolgende vertrek- en aankomstfuncties en niet naar twee vaste lichaamshoudingen of posities.
Iedere Grote Beweger* kan daarbij een eigen bewegingspad, vormverandering, vormbehoud en dynamische uitvoering hebben.
De tien Grote Bewegers* kunnen deze processen afzonderlijk, gelijktijdig of in verschillende volgordes uitvoeren.

De Vormbreuk* – Onderbreking van de bewegingscontinuïteit

Binnen de GEM Method beschrijft een Vormbreuk* een onderbreking van de Somaflow* tijdens de uitvoering van gewichtsacties* (3D), Vormblending*, Vormbehoud* en Spierdynamieken-Blending* (4D).

De externe waarnemer onderzoekt mogelijke Vormbreuken* tijdens de uitvoering van een bewegingsopdracht met één of meerdere van de tien Grote Bewegers*. Bij het vergelijken van bewuste en automatische bewegingsaansturing onderzoekt de externe waarnemer het aantal waargenomen Vormbreuken*, het moment waarop deze optreden en de betrokken Grote Bewegers*. Hierbij wordt rekening gehouden met de kennis en de waarnemingsmogelijkheden van de externe waarnemer. Binnen de GEM Method wordt onderscheid gemaakt tussen twee uitvoeringswijzen:

  • Bewuste bewegingsaansturing: de beoefenaar richt de aandacht op de uitvoering van de bewegingsopdracht. De verwachting binnen het GEM-model is dat hierbij minder Vormbreuken* optreden. Vormbreuken* blijven mogelijk.
  • Automatische bewegingsaansturing: de beoefenaar voert de beweging uit zonder voortdurend bewust aandacht te richten op de afzonderlijke bewegingsonderdelen. De verwachting binnen het GEM-model is dat hierbij meer Vormbreuken* kunnen optreden.

De externe waarnemer onderzoekt het aantal, het moment en de plaats van de Vormbreuken* tijdens de Somaflow*. Door bewegingsopdrachten onder verschillende aandacht omstandigheden uit te voeren, kunnen verschillen in bewegingscontinuïteit worden onderzocht.

De Individuele Uitvoering
De organisatie en uitvoering van Somaflow* kunnen per persoon verschillen.
Ook bij dezelfde persoon kunnen de bewegingspaden, gewichtsacties*, vormveranderingen, Spierdynamieken-Blending* en Mengvormen* per uitvoering veranderen.
De externe waarnemer onderzoekt daarom de uitgevoerde beweging, zonder vooraf één vast bewegingspatroon als uitgangspunt te nemen.

Het Waarnemingscriterium
De externe waarnemer onderzoekt hoe de tien Grote Bewegers* hun vloerpaden* en luchtpaden* doorlopen en hoe gewichtsacties* (3D), Vormblending*, Vormbehoud*, Spierdynamieken* (4D), Spierdynamieken-Blending* en Mengvormen* gedurende de Somaflow* met elkaar samenhangen.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen wat direct wordt waargenomen en wat nader onderzocht kan worden.

3. De Fysieke Voorbereiding (Kracht, Mobiliteit en Krachtoverdracht)

De externe waarnemer onderzoekt hoe de beoefenaar het lichaam als fysiek instrument ontwikkelt en voorbereidt op uiteenlopende bewegingsmogelijkheden en fysieke belasting.

Krachtontwikkeling
Binnen de GEM Method worden verschillende krachtkwaliteiten onderscheiden en onderzocht. De gele krachtpiramide* geeft deze krachtvormen weer, waaronder startkracht, explosieve kracht en duurkracht. Door verschillende krachtkwaliteiten te trainen, kan de beoefenaar de fysieke mogelijkheden en belastbaarheid van het lichaam ontwikkelen.

Mobiliteit
Naast krachtontwikkeling speelt mobiliteit* een belangrijke rol. Het trainen en onderhouden van de bewegingsmogelijkheden van gewrichten en lichaamsdelen ondersteunt de bewegingsvrijheid en de uitvoering van uiteenlopende bewegingen. Kracht en mobiliteit vullen elkaar daarbij aan.

Krachtoverdracht en Gewrichtsketens*
De externe waarnemer onderzoekt hoe gewrichten als schakels van een ketting (gewrichtsketens*) met elkaar samenwerken en hoe krachten en bewegingen van het ene gewricht naar het andere worden doorgegeven. Denk bijvoorbeeld aan de samenwerking tussen schouder, elleboog en pols, of tussen heup, knie en enkel. Daarbij wordt gekeken naar de onderlinge samenhang en timing van de bewegende lichaamsdelen. Zo kunnen verschillende gewrichten samen één samenhangende beweging vormen.

Door kracht en mobiliteit te ontwikkelen en de samenwerking tussen gewrichten te onderzoeken, kan het lichaam worden voorbereid op toekomstige fysieke uitdagingen. Dit kan ook van betekenis zijn bij de voorbereiding op een terugkeer naar training of bij het ondersteunen van een hersteltraject na een medische ingreep. De benodigde voorbereiding en het herstel verschillen per persoon en situatie.

Het lichaam voorbereiden op de toekomst
Door verschillende krachtkwaliteiten en de mobiliteit* te trainen, ontwikkelt de beoefenaar de lichamelijke capaciteit en fysieke reserves van het lichaam. Deze voorbereiding kan bijdragen aan het behouden en vergroten van bewegingsmogelijkheden en kan van betekenis zijn bij toekomstige fysieke uitdagingen, een terugkeer naar training of een hersteltraject na ziekte of een medische ingreep. Een goed voorbereide lichamelijke uitgangspositie kan daarbij voordelen bieden, hoewel het uiteindelijke herstel afhankelijk blijft van de persoon, de medische situatie en de aard van de belasting.

Wetenschappelijke onderbouwing: fysieke voorbereiding op herstel
Ook wetenschappelijk onderzoek wijst op het belang van lichamelijke voorbereiding vóór een operatie. Een systematische review en meta-analyse, gepubliceerd in The BMJ in 2025, bracht 186 gerandomiseerde onderzoeken met in totaal 15.684 deelnemers samen. De resultaten laten zien dat fysieke training vóór een operatie kan bijdragen aan een vermindering van postoperatieve complicaties, een kortere ziekenhuisopname en een verbetering van het fysieke herstel.

De onderzoekers benadrukken dat de zekerheid van het bewijs voor verschillende uitkomsten nog beperkt is. De resultaten bieden wel aanwijzingen dat het ontwikkelen en onderhouden van lichamelijke capaciteit vóór een operatie voordelen kan opleveren tijdens het daaropvolgende hersteltraject.

4. De Akoestische Absorptie (Het Gehoor en de Somaflow)*
De externe waarnemer onderzoekt welke geluiden ontstaan wanneer de beoefenaar na een sprong landt of met het lichaam over de vloer rolt.

Daarbij wordt gelet op de geluidssterkte, de duur van het geluid en het moment waarop het lichaam contact maakt met de ondergrond.

Deze hoorbare informatie wordt gecombineerd met de zichtbare uitvoering van de Somaflow*, de gewichtsacties* (3D), de Spierdynamieken-Blending* (4D) en de samenwerking tussen de gewrichtsketens*.

Het geluid kan aanleiding geven om te onderzoeken hoe de beoefenaar vanuit de lichaamswaarneming* (proprioceptie*) de beweging aanstuurt, afremt en voortzet.

De externe waarnemer maakt hierbij onderscheid tussen wat direct wordt waargenomen en wat nader onderzocht kan worden. Het contactgeluid vormt één van de waarnemingsbronnen en kan, in samenhang met de zichtbare beweging, informatie bieden over de verdeling van krachten, de bewegingsaansturing en de uitvoering van de Somaflow*.

4. WANNEER & WAAROM (Blinde Choreografie*)

De beoefenaar activeert C.A.F. Navigatie* tijdens de training in de studio, specifiek bij het uitvoeren van *blinde choreografie*.

Door gebruik te maken van visuele deactivatie* (gesloten ogen) of auditieve deactivatie* (afgesloten oren) worden externe zintuiglijke prikkels, zoals visuele referenties, externe ritmes en omgevingsgeluiden, zoveel mogelijk beperkt. Hierdoor verschuift de waarneming meer naar de informatie die via het eigen lichaam beschikbaar is, zoals lichamelijke sensaties en het contact met de ondergrond.

De beoefenaar navigeert door de ruimtetijd* en gebruikt C.A.F. Navigatie* om de concentratie, aandacht en focus tijdens de beweging gericht in te zetten. Dit denkkader helpt de beoefenaar de relaties tussen de context*, de resterende datastromen en de eigen bewegingskeuzes stap voor stap te ontdekken en te onderzoeken.

3. WANNEER & WAAROM (De Objectieve Evaluatie)

De criteria van waarneming* binnen de GEM Method kunnen overal worden toegepast waar menselijke beweging plaatsvindt. Ze helpen om bewegingen systematisch te observeren, te beschrijven en te onderzoeken, zonder vooraf een persoonlijk oordeel te vormen.

WANNEER – De interne en externe waarnemer

De interne waarnemer onderzoekt de eigen beweging via lichaamswaarneming (proprioceptie*), signalen vanuit het lichaam (interoceptie*) en zintuiglijke informatie uit de omgeving (exteroceptie*).

De externe waarnemer onderzoekt de beweging van een andere persoon via zichtbare en hoorbare kenmerken. Wat wordt herkend en geregistreerd, hangt mede samen met de kennis van de GEM Method, de beheersing van de GEM-terminologie, de ervaring en de omstandigheden van de waarneming. Ook met deze kennis kunnen bewegingskenmerken onopgemerkt blijven.

WAAROM – De objectieve evaluatie

De GEM-terminologie helpt om onderscheid te maken tussen persoonlijke waarderingen, zoals mooi of lelijk, en waarneembare kenmerken van beweging.

De evaluatie bestaat uit drie onderdelen:

  1. Waarnemen: wat wordt gezien, gehoord of van binnenuit ervaren?
  2. Interpreteren: welke mogelijke verklaring past bij de waarneming?
  3. Onderzoeken: welke aanvullende waarneming of bewegingsopdracht kan meer informatie geven?

Van waarneming naar bewegingsaansturing

De verzamelde informatie kan worden gebruikt om gerichte bewegingsopdrachten te formuleren. Door bewegingen opnieuw uit te voeren en waar te nemen, kunnen veranderingen in de bewegingsorganisatie, de Somaflow* en het aantal waargenomen Vormbreuken* worden onderzocht.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen wat tijdens de beweging plaatsvindt en wat de interne of externe waarnemer daadwerkelijk registreert.

4. VOOR WIE (De Doelgroep)

De criteria van waarneming* binnen de GEM Method zijn bedoeld voor iedereen die menselijke beweging wil waarnemen, begrijpen en onderzoeken. Ze kunnen worden gebruikt door dansers, docenten, coaches, choreografen, artiesten, therapeuten, revalidanten en andere geïnteresseerden

De interne waarnemer gebruikt de criteria om de eigen beweging te onderzoeken. De externe waarnemer gebruikt ze om bewegingen van anderen te observeren en te bespreken.
De kennis van de GEM Method, de beheersing van de terminologie en de ervaring met bewegingsobservatie bepalen mede hoe de criteria worden toegepast.

De criteria bieden een gemeenschappelijke taal om bewegingskenmerken te beschrijven en informatie uit te wisselen, zonder vooraf een persoonlijk oordeel te vormen.

  1. HET DOEL (De 5D-Regie)

Het doel van de Criteria van Waarneming* binnen de GEM Method is om menselijke beweging en lichaamswaarneming zonder voorafgaand waardeoordeel te onderzoeken en de beoefenaar te ondersteunen bij het ontwikkelen van bewuste bewegingsaansturing.
Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Somatische Driehoek*:

  • Interoceptie: het waarnemen van signalen binnen het lichaam.
  • Proprioceptie: het waarnemen van de houding en beweging van het eigen lichaam.
  • Exteroceptie: het waarnemen van informatie uit de omgeving.

De Somatische Regisseur (5D)* gebruikt deze informatie om bewegingen bewust waar te nemen, te onderzoeken, te organiseren en aan te sturen.
Dit sluit aan bij het streven naar Somatische Autonomie*: het zelfstandig waarnemen, organiseren en aansturen van de eigen beweging.

6. BEWUSTWORDING EN ONTWIKKELING (De vier GEM-processen)

Binnen de GEM Method onderscheiden we vier processen die kunnen bijdragen aan bewustwording, onderzoek, leren en ontwikkeling.
Binnen de GEM Method worden bewustwording en ontwikkeling onderzocht als samenhangende processen waarin het lichaam, het denkvermogen, het waarnemingsvermogen en het gedrag elkaar beïnvloeden.

De Somatische Driehoek* verbindt de waarneming van signalen binnen het lichaam (interoceptie), de houding en beweging van het lichaam (proprioceptie) en de informatie uit de omgeving (exteroceptie).

De Somatische Regisseur (5D)* gebruikt deze informatie om bewegingen bewust waar te nemen, te onderzoeken, te organiseren en aan te sturen.

Met MT-trainingen (microtrainingen)* kunnen waarneming, kennis en bewegingsaansturing tijdens dagelijkse activiteiten worden onderzocht en geoefend.
Binnen dit samenhangende geheel onderscheiden we voorlopig vier GEM-processen:

  1. Bewustwording en ontwikkeling
  2. Bewegingsonderzoek en exploratie
  3. Motorisch Leren (Bewegingsvaardigheden)*
  4. Cognitief Leren (Kennis en Begrip)*

Deze processen staan niet los van elkaar. Ze kunnen elkaar beïnvloeden, overlappen en in verschillende volgordes plaatsvinden.

Zelfregulatie, gewoontevorming en automatisering worden binnen deze processen onderzocht als onderdelen van bewuste en automatische gedrags- en bewegingsaansturing.
Door waarneming, kennis, uitvoering, feedback en herhaling kunnen bestaande gewoonten worden aangepast en nieuwe gewoonten ontstaan.

6.1 Bewustwording en ontwikkeling

Doel bepalen → Waarnemen → Ontdekken → Begrijpen → Evalueren → Bewust kiezen → Uitvoeren → Aanpassen → Ontwikkelen ↻

6.2 Bewegingsonderzoek en exploratie

Bewegingsmogelijkheden verkennen → Onderzoeken → Ontdekken → Exploreren → Variëren → Verschillen waarnemen → Resultaten vergelijken → Vastleggen → Manipuleren → Opnieuw verkennen ↻

6.3 Motorisch Leren* (Bewegingsvaardigheden)

Waarnemen → Uitproberen → Oefenen → Variëren en afwisselen → Feedback verwerken → Aanpassen → Herhalen → Toepassen ↻

6.4 Cognitief Leren* (Kennis en Begrip)

Waarnemen → Informatie verwerken → Herhalen → Begrijpen → Onthouden → Kennis actief ophalen → Controleren → Toepassen → Reflecteren ↻

6.5 GEZAMENLIJKE UITGANGSPUNTEN VOOR MENSELIJKE ONTWIKKELING


Het doel
Dit onderdeel biedt de lezer kennis en praktische handvatten om de eigen lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve en gedragsmatige ontwikkeling bewust te onderzoeken.

De zeven uitgangspunten laten zien welke rol concentratie, aandacht, motivatie, herhaling, feedback, lichamelijke activiteit en herstel kunnen spelen bij leren en ontwikkelen.

Door deze uitgangspunten te leren kennen en toe te passen, kan de beoefenaar eigen gewoonten onderzoeken, verschillen waarnemen en bewuste keuzes maken die aansluiten bij de persoonlijke mogelijkheden, activiteiten en doelen.

6.5.1 Concentratie, Aandacht en Focus (C.A.F.)


Wat is C.A.F.?

Binnen de GEM Method worden Concentratie, Aandacht en Focus (C.A.F.) gebruikt om bewust te onderzoeken hoe iemand informatie waarneemt, verwerkt en activiteiten organiseert.

C.A.F. kan worden toegepast bij lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve en gedragsmatige activiteiten, zoals luisteren, kijken, voelen, ontdekken, lezen, leren, bewegen en communiceren.
De drie begrippen en hun samenhang

De drie begrippen hebben ieder een eigen functie en staan met elkaar in samenhang:

  • Concentratie (Tijd): het gedurende een bepaalde tijd gericht bezig zijn met een activiteit, onderwerp of opdracht.
  • Aandacht (Ruimte): het richten van de waarneming op één of meerdere onderdelen, personen, voorwerpen, gebeurtenissen of informatiebronnen.
  • Focus (RuimteTijd): het gericht waarnemen van een specifiek detail, onderdeel of gebeurtenis op een bepaalde plaats en een bepaald moment.

Geen vaste volgorde
Concentratie, Aandacht en Focus vormen geen opeenvolgende stappen.
De drie functies kunnen gelijktijdig plaatsvinden, elkaar beïnvloeden en tijdens een activiteit veranderen.

Afhankelijk van de situatie kan iemand beginnen met Concentratie, Aandacht of Focus. De volgorde kan daardoor wisselen.

Het doel
Het doel van C.A.F. is om bewust te onderzoeken en te organiseren:

  • hoelang iemand met een activiteit bezig is (Tijd);
  • waarop de waarneming wordt gericht (Ruimte);
  • welk specifiek detail of welke gebeurtenis op een bepaald moment wordt onderzocht (RuimteTijd).

Hierdoor kan de beoefenaar onderzoeken hoe Concentratie, Aandacht en Focus afzonderlijk en in samenhang worden gebruikt.

Hoe kan C.A.F. worden toegepast?

Voorbeeld 1 – Een tekst lezen

  • Concentratie: gedurende een bepaalde tijd met de tekst bezig zijn.
  • Aandacht: verschillende woorden, zinnen en onderdelen van de tekst waarnemen.
  • Focus: op een bepaald moment één specifiek woord of detail nader onderzoeken.

Voorbeeld 2 – Naar muziek luisteren

  • Concentratie: gedurende een bepaalde tijd naar een muziekstuk luisteren.
  • Aandacht: verschillende instrumenten, geluiden, ritmes, accenten en muzikale patronen waarnemen. Ook het richten van de aandacht op de maat en de tellen binnen een ritme kan hierbij worden gebruikt.
  • Focus: op een specifiek moment één klank, tel, accent of muzikale verandering nader onderzoeken.

Door bewust te luisteren en eventueel mee te tellen, kan de beoefenaar onderzoeken welke muzikale informatie beschikbaar is en kiezen welke onderdelen tijdens het afspelen van het muziekstuk worden gebruikt.

Voorbeeld 3 – Een beweging onderzoeken bij muziek

  • Concentratie: gedurende een bepaalde tijd een beweging uitvoeren of onderzoeken in samenhang met de muziek.
  • Aandacht: verschillende lichaamsdelen, bewegingen, muzikale accenten, ritmes en tellen waarnemen.
  • Focus: op een specifiek moment onderzoeken hoe één bewegingsdetail samenvalt met een gekozen tel, klank of muzikaal accent.

De beoefenaar kan bewust kiezen welke muzikale informatie wordt gebruikt om een beweging te beginnen, voort te zetten, te veranderen of te beëindigen.
In alle drie de voorbeelden kunnen Concentratie, Aandacht en Focus in verschillende volgordes of gelijktijdig worden gebruikt.

Evaluatie en ontwikkeling
De beoefenaar kan onderzoeken:

  • Waarop richt ik mijn Concentratie, Aandacht en Focus?
  • Hoe veranderen deze tijdens een activiteit?
  • Welke informatie neem ik waar?
  • Welke details merk ik op?
  • Welke keuzes kan ik maken op basis van mijn waarnemingen?
  • Wanneer wil ik mijn Concentratie, Aandacht of Focus aanpassen?

De verkregen informatie kan worden gebruikt om de eigen waarneming, informatieverwerking, keuzes en uitvoering bewust te onderzoeken en waar gewenst aan te passen.

6.5.2 Motivatie, discipline en individuele verschillen


Het doel
Het doel is om te onderzoeken welke persoonlijke kenmerken en omstandigheden invloed hebben op het beginnen, uitvoeren en volhouden van activiteiten.

Waarom is dit van belang?

Motivatie kan bijdragen aan het beginnen en volhouden van activiteiten. Discipline en zelfregulatie kunnen ondersteunen bij het uitvoeren van gemaakte keuzes en het aanpassen van gedrag.

Mensen verschillen in voorkennis, aandacht, leertempo en de manier waarop zij informatie verwerken. Deze kenmerken kunnen per situatie en opdracht veranderen.

Door deze verschillen bewust waar te nemen, kan de beoefenaar onderzoeken welke manier van leren, oefenen en werken aansluit bij de eigen mogelijkheden en doelen.

Hoe kan dit worden toegepast?
De beoefenaar kan onderzoeken:

  • Wat helpt om aan een activiteit te beginnen?
  • Welke omstandigheden ondersteunen de concentratie en aandacht?
  • Wat helpt om een gemaakte keuze uit te voeren?
  • Wanneer is een aanpassing van de opdracht, planning of werkwijze nodig?
  • Welke veranderingen zijn waarneembaar door oefening en herhaling?

Deze informatie kan worden gebruikt om activiteiten bewust te organiseren, te evalueren en waar nodig aan te passen.

6.5.3 Herhaling, zelftesten en feedback


Het doel
Het doel is om kennis en bewegingsvaardigheden te onderzoeken, te controleren en verder te ontwikkelen. Door informatie zelfstandig uit het geheugen op te halen (retrieval practice), kan de beoefenaar onderzoeken wat is onthouden en begrepen.

Digitale toepassing
Flashcards, oefenvragen, onderzoeksopdrachten en digitale oefeningen kunnen worden gebruikt om kennis, waarneming, vaardigheden en gedrag te onderzoeken en te ontwikkelen.

Digitale hulpmiddelen kunnen vragen opnieuw aanbieden, antwoorden controleren, ervaringen vastleggen en de voortgang volgen.

Foto’s, video- en geluidsopnamen kunnen worden gebruikt om handelingen, bewegingen, geluiden en veranderingen waar te nemen, te vergelijken en te evalueren.

De beoefenaar kan deze informatie gebruiken om het eigen leren, oefenen, onderzoeken en aanpassen bewust te organiseren.

6.5.4 Doorlussen* en kennisoverdracht


Het doel
Het doel is om verkregen informatie te onderzoeken, te begrijpen, te controleren, toe te passen en over te dragen aan anderen.

Waarom is dit van belang?
Door informatie opnieuw te verwerken en in eigen woorden uit te leggen, kan de beoefenaar onderzoeken wat is begrepen, onthouden en toegepast.

Het uitleggen van kennis aan anderen kan helpen om verbanden te ontdekken, bestaande kennis te verdiepen en vragen zichtbaar te maken.

Hoe kan dit worden toegepast?
Verkregen informatie kan opnieuw worden verwerkt, gedocumenteerd en in eigen woorden aan anderen worden uitgelegd.
Bij het onderzoeken en doorgeven van informatie wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Primaire bronnen: oorspronkelijke onderzoeksgegevens of verslagen van onderzoek.
  • Secundaire bronnen: publicaties waarin bestaande informatie wordt onderzocht of geanalyseerd.
  • Tertiaire bronnen: overzichten en samenvattingen van bestaande kennis.

Podcasts, documenten en AI kunnen worden gebruikt om informatie te verzamelen, te vergelijken, te verdiepen en te verbreden. De oorspronkelijke bronnen en de juistheid van de informatie blijven daarbij onderwerp van controle.

Van kennis naar toepassing
Binnen de GEM Method kan de beoefenaar verkregen kennis opnieuw gebruiken bij waarneming, onderzoek, uitvoering en evaluatie.
Nieuwe vragen en inzichten kunnen aanleiding geven om eerdere informatie opnieuw te onderzoeken. Dit terugkerende proces wordt binnen de GEM Method aangeduid als Doorlussen*.

6.5.5 Gewoontevorming en groei


Het doel
Het doel is om bestaande gewoonten bewust te herkennen, te onderzoeken en waar gewenst aan te passen. Hierdoor kan de beoefenaar nieuwe mogelijkheden ontdekken en bewuste keuzes ontwikkelen in beweging, denken en gedrag.

Hoe kunnen gewoonten worden veranderd?

  1. Waarnemen: herkennen welke handeling of beweging automatisch plaatsvindt.
  2. Onderzoeken: ontdekken wanneer, waar en onder welke omstandigheden deze gewoonte ontstaat.
  3. Begrijpen: onderzoeken welke prikkels, ervaringen en herhalingen een rol spelen.
  4. Bewust kiezen: bepalen of de bestaande gewoonte behouden of aangepast wordt.
  5. Uitproberen: een andere handeling of beweging uitvoeren.
  6. Herhalen: de gekozen handeling regelmatig oefenen in passende omstandigheden.
  7. Evalueren en aanpassen: waarnemen wat verandert en de uitvoering waar nodig bijstellen.

Door herhaling en toepassing kunnen nieuwe gewoonten ontstaan en geleidelijk automatisch verlopen.

Van bewustwording naar ontwikkeling
Binnen de GEM Method kan de beoefenaar de Somatische Driehoek* gebruiken om lichamelijke signalen, houding, beweging en informatie uit de omgeving waar te nemen.

De Somatische Regisseur* (5D) gebruikt deze informatie om bewuste keuzes te onderzoeken en de uitvoering van bewegingen aan te sturen.
Nieuwe ervaringen, waarnemingen en inzichten kunnen aanleiding geven om bestaande gewoonten opnieuw te onderzoeken en verdere ontwikkeling mogelijk te maken.

Tijdsduur van gewoonteverandering
Het ontwikkelen van nieuwe gewoonten vraagt tijd en herhaling. Hoelang dit duurt, verschilt per persoon, handeling en omstandigheden.

In wetenschappelijk onderzoek naar dagelijkse gewoonten werd een middelste tijdswaarde (mediaan) van 66 dagen gevonden, met geschatte individuele tijdsduren van 18 tot 254 dagen.

Dit zijn onderzoeksresultaten en geen vaste termijnen.
Het veranderen van een bestaande gewoonte kan anders verlopen dan het ontwikkelen van een nieuwe gewoonte.
Binnen de GEM Method kan de beoefenaar onderzoeken hoe een handeling door bewuste waarneming, uitvoering, herhaling en aanpassing geleidelijk verandert.

Het doel is om bestaande gewoonten bewust te kunnen behouden of aanpassen en nieuwe gewoonten te ontwikkelen die aansluiten bij de eigen doelen.

Evaluatie van gewoonteverandering
De tijd die nodig is om een gewoonte te veranderen, zegt niet automatisch iets over de kwaliteit van de verandering.
Binnen de GEM Method onderzoekt de beoefenaar daarom niet alleen de tijdsduur, maar ook:

  • Uitvoering: hoe wordt de handeling of beweging uitgevoerd?
  • Omstandigheden: wanneer en in welke situatie vindt de handeling plaats?
  • Automatisering: in welke mate verloopt de handeling zonder bewuste aansturing?
  • Bewuste keuze: kan de beoefenaar de handeling herkennen, behouden of aanpassen wanneer dat gewenst is?

Het doel is om inzicht te ontwikkelen in de eigen gewoonten en de mogelijkheden om deze bewust aan te sturen.
Dit sluit aan bij het streven naar Somatische Autonomie*: het zelfstandig waarnemen, organiseren en aansturen van de eigen beweging.

6.5.7 Tijdsverdeling, pauzes en actieve afwisseling

Leer-, onderzoeks- en oefenmomenten kunnen over de tijd worden verdeeld (gespreid leren). Regelmatige pauzes bieden gelegenheid voor herstel en kunnen helpen om vermoeidheid te beperken.

Praktische handleiding

Leer- of onderzoekstijd

Pauze

Toepassing

20–25 minuten

5 minuten

Korte leeropdrachten en gerichte concentratie

30–45 minuten

5–10 minuten

Lezen, schrijven en informatie verwerken

45–60 minuten

10–15 minuten

Langere onderzoeks- en oefensessies

Actieve en passieve pauzes
Tijdens een pauze kan de beoefenaar kiezen tussen lichamelijke rust en activiteit.

Een actieve pauze kan bestaan uit wandelen, fietsen, mobiliteitsoefeningen, tuinieren of huishoudelijke activiteiten zoals stofzuigen, schoonmaken en koken.

Een passieve pauze kan bestaan uitzitten, ontspannen of tijdelijk stoppen met de opdracht.

Individuele verschillen en flow
De behoefte aan pauzes verschilt per persoon en activiteit. Ook de mate van betrokkenheid bij een activiteit (flow) kan een rol spelen bij het kiezen van een pauzemoment.
De genoemde tijden zijn praktische voorbeelden en geen wetenschappelijk vastgestelde ideale tijden.

Wetenschappelijke onderbouwing
Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat korte pauzes kunnen bijdragen aan het verminderen van vermoeidheid. Onderzoek naar het onderbreken van langdurig zitten laat daarnaast gunstige effecten zien op bepaalde lichamelijke gezondheidswaarden.

Onderzoek naar gespreid leren ondersteunt het verdelen van leermomenten over de tijd.
Binnen de GEM Method kan de beoefenaar onderzoeken welke afwisseling tussen lichamelijke rust en activiteit aansluit bij de eigen mogelijkheden, de opdracht en het leerdoel.

6.6 De samenhang

Waarnemen → Ontdekken → Onderzoeken → Begrijpen → Bewust kiezen → Toepassen → Herhalen → Leren → Groeien ↻

Deze reeks vat mogelijke activiteiten en resultaten binnen de vier GEM-processen samen. De stappen vormen geen verplichte volgorde. Leren kan tijdens verschillende stappen plaatsvinden en verdere ontwikkeling kan aanleiding geven tot nieuwe waarnemingen en onderzoeken.

Van automatische piloot naar Somatische Autonomie.*

Scroll naar boven